Na de veerboot rijden we naar Talisker Bay. Vanaf de “parkeerplaats” is het een klein stukje lopen. Het waait hier als een malle, maar het is soort van droog en met een beetje fantasie zou je het zonnig kunnen noemen. Het landschap is ruig maar het is hier heerlijk rustig, afgezien van een paar wandelaars en een paar schapen.
We wisselen van chauffeur en ik rij terug naar de weg. Het pad is heel hobbelig, veel kuilen en een paar plaatsen waar je elkaar kunt passeren. Hard rijden kun je hier niet, want voor je het weet komt uit een verdord plukje gras zo’n wolfabriek hollen. Ik schrik me er af en toe van. Maar ook hier zijn de uitzichten prachtig.
We rijden door naar Dunvegan, naar een camping aan het water. Hier waait het pas echt goed. Ik zet de camper weer met haar kont tegen de wind in, richting het water.
In een mum van tijd zijn we weer gesetteld, we raken goed bedreven in snel en gestructureerd inpakken van een kleine ruimte. We drinken thee en daarna klim ik het bed in, om even wat te lezen. Door al dat geschommel val ik in een diepe slaap.
Na mijn schoonheidsslaapje lopen we naar de lokale pub. Op een bruine Chesterfieldstoel bij de haard zit een man, ik schat ‘m een jaar of 85. Alles aan zijn gezicht is groot: grote wenkbrauwen, grote oren, grote neus, brede glimlach. Hij draagt een gebreide wollen trui met daaroverheen een bruine bodywarmer. Hij draagt een broek met een schotse ruit, dezelfde ruit als zijn sjaal. Op zijn hoofd draagt hij een Schotse piper. Hij drinkt een biertje en roept af en toe iets naar de mannen die naast ons zitten.
Aan de man staat een donkerroodbruin bebaarde man in een leren kilt. Alsof we een filmsetting zijn ingewandeld. We besluiten er morgen te gaan eten. Bij het weggaan geef ik de oude man in de stoel een knipoog. Hij glimlacht.
We lopen terug door de schemering naar de camping. We doen nog een spelletje en daarna worden we door de wind in slaap geschommeld.








