Tijdens het ontbijt evalueren we de camping. We verwonderen ons over de vele permanent bewoonde bouwwerken en het weinige onderhoud wat er wordt gedaan. Maar het ligt heerlijk dicht bij de stad en het is schoon.
Om 9 uur stap ik op de fiets. Het eerste stuk is nagenoeg vlak en dus schiet het lekker op. Bij de uitmonding van Rio Alvor rij ik langs viskwekerijen. Het is laag water dus de kweekbedden steken boven het water uit.
Even voorbij Odiáxere loopt de route via de EN125, een autoweg met een hele brede vluchtstrook annex fietspad. Ik rij langs een weiland met heel veel ooievaarsnesten. Ik tel er 20 maar als ik verder fiets, zie ik dat ik een deel niet kon zien en dat het er zeker twee keer zo veel zijn. En alle nesten zijn bewoond en zijn er jongen.
Bij Portimão ga ik van de autoweg af en tijdig door een bebouwde omgeving. Ik moet een fietsbrug over om een drukke weg te passeren. Ik krijg mijn schoenen niet uitgeklikt dus als ik stil sta, val ik om. Als in een slapstick: tijd genoeg om te bedenken “daar ga ik”, maar onvermogend om het tegen te gaan. Mijn helemaal niet sexy hoge sokken voorkomen schaafwonden op mijn benen, maar mijn knie en elleboog hebben een schaafwond. Au!
Aan de andere kant van de fietsbrug staat Marc. We drinken koffie bij pastelaria en ik smeer ontsmettingsmiddel over mijn schaafwonden. We eten tarte de natas, een Portugese variant op slagroomtaart. Na deze calorieënbom stap ik weer op de fiets. Bij de brug over de Rio Arade staat een heerlijk verkoelend windje, maar verder is het behoorlijk warm. Bij Lagos sla ik rechtsaf, om heuvelaf naar het strand van Carvoeiro te rijden. Een groepje Britten zijn op flitsbezoek in de Algarve en hebben een geocachingevent georganiseerd. Marc is er al en ik ben net op tijd. We kletsen kort over de hobby waarna zij al vrij snel verder gaan en wij picknicken aan het strand.



