Categoriearchief: Australië 2013

Introductie

In 2005 ben ik samen met Wouter van den Boogaart langs de oostkust van Australië gereisd. Toen vonden we al dat we ook een keer de andere kant van Australië zouden moeten bekijken. Dit jaar tijdens een barby (om er maar wat Australische slang tussendoor te gooien) bedachten we dat we dat nog steeds niet gedaan hadden. Snel hebben we onze agenda’s erbij gepakt waaruit bleek dat we allebei in december erg weinig afspraken hadden staan. Van het een kwam het ander en zo waren een week later tickets naar Perth geboekt.

Natuurlijk ga ik tijdens deze reis weer verslag bijhouden. Dat ga je op de volgende pagina’s vinden. Alvast prettige feestdagen en een gelukkig nieuwjaar 🙂

De heenreis

Op zaterdagochtend is het dan zover, de vakantie kan beginnen. Tenminste, voor zover je al het wachten, zitten, langer wachten, in rijen staan, wachten en nog veel meer wachten wat elke vliegreis is al tot de vakantie kan rekenen. Maar klagen mag ik niet, de vluchten zijn op tijd, de bagage is ook in Australie aangekomen en nog wel op hetzelfde vliegveld als wijzelf.

Omdat ik weet hoe streng de controle bij binnenkomst van het land is, heb ik van te voren alles waar ook maar het kleinste beetje aarde aan zat extreem goed schoongemaakt. Ergens was het dus wel jammer dat ik alle controles voorbij mocht lopen en binnen een minuut of 5 buiten de terminal van Perth stond. Na een kort ritje met een taxi naar het hotel hebben we de rest van de dag besteed aan het bekijken van Perth, lekker in t-shirt op een terras wat eten en vooral vechten tegen de slaap om maar geen jetleg te krijgen. Dat laatste heb ik tegen tienen opgegeven.

We dachten bij Wicked Campers een four wheel drive met tent op ’t dak geboekt te hebben, dus daar zijn we op maandagochtend naar toe gegaan. Helaas waren er meer mensen die op maandagochtend iets hadden geboekt bij Wicked en was er maar 1 man van Wicked die op maandagochtend bij Wicked werkt om dit te regelen. Na bijna 3 uur wachten waren we toch eindelijk aan de beurt. Wij kregen onze auto echter niet zo makkelijk mee. Het begon al met een discussie over de tijd dat we de auto zouden huren, dat zou te kort zijn om naar Broome te mogen rijden. We moesten en zouden de auto 2 dagen langer moeten huren, ondanks dat we een bevestiging van de huur bij ons hadden. Na een aantal telefoontjes naar het hoofdkantoor waarbij bleek dat Andy, degeen die ons eerder had geholpen, niet meer bij Wicked werkte mochten we toch voor het oorspronkelijk aantal dagen de auto huren.

Helaas werd al snel duidelijk waarom Andy zijn baan niet meer had. Hij had een auto zonder tent geregeld, ondanks dat we toch echt een auto met tent hadden geboekt. Het is niet meer gelukt om een auto met tent mee te krijgen, dus uiteindelijk zijn we in een auto zonder tent weggereden.

Op weg naar het noorden

Nu we de auto hebben rest alleen het volgooien van de tank en het halen van wat boodschappen ons van de reis naar het noorden. Vlakbij het verhuurbedrijf vonden we zowel een benzinestation als een supermarkt, dus dat was snel gedaan. Het eerste stuk heb ik gereden door het – wat ze in Australia druk noemen – stadsverkeer met heel veel stoplichten die allemaal rood waren. Toch, een uurtje later zaten we op de highway 1, The Indian Ocian Drive, op weg naar Jurian Bay. Rond een uur of vijf kwamen we daar aan, wat net op tijd was want na 5’en zijn we niet verzekerd vanwege het risico op het aanrijden van wilde dieren zoals kangoeroes en emoes.

Op de camping hebben we getracht de gasbrander aan de praat te krijgen wat na veel moeite en gedoe gelukt is. Na zo’n dag rijden smaakt een pastamaaltijd heerlijk. De auto hadden we al ingericht om in te kunnen slapen, maar dat bleek ’s nachts toch erg lastig te gaan. Officieel kan je met z’n 2en in de auto slapen, maar dat is wel erg krap en de ruimte is ook net genoeg om iets overeind te komen als je ligt. Zitten is onmogelijk.

Na een slechte nacht zijn we verder gereden naar Geraldton. Vlak voor het eindpunt heb ik mijn eerste twee geocaches van Austalie gevonden na toch zeker vier of vijf ‘did not founds’. Ook vonden we een campingzaak waar we een koepeltentje voor het astronomisch lage bedrag van slecht $40 kochten. Wouter blijft in de auto slapen, ik lekker in de tent. Zo hebben we tenminste wat ruimte.

De camping ligt bij een vuurtoren waar we geprobeerd hebben omheen te lopen over het strand. Halverwege hebben we dat toch maar opgegeven, er stond zo’n harde wind dat we gezandstraald werden. Ook al heb ik daarna goed en lang gedoucht, het zand kwam ’s avonds nog steeds uit mijn oren. Onze buren op de camping is is een reisgroepje bestaande uit een Vlaamse, een Duitse en een Zwitser. ’s Avonds hebben we nog lang gekletst en spelletjes gespeeld. In mijn test sliep ik prima.

The road ahead is empty

Het is de tekst van een liedje, maar ook de werkelijkheid op de wegen in Australie. Kilometers lang kom je niemand tegen en kan je heerlijk op de niet-aanwezige cruisecontrol door het weidse landschap rijden. We rijden op woensdag naar Kalbarri, het plaatsje bij Kalbarri National Park met een aantal canyons, kloven die door de rivier in de rotsen ontstaan zijn. Met het park wachten we tot de volgende dag, want het is overdag veel te heet om de canyon in te gaan. In plaats daarvan besluiten we er een relaxdag van te maken. Zowel ’s middags als ’s avonds hebben lekker eten op een terras met uitzicht over de Indische Oceaan met een heerlijk koud glas bier erbij. Ach, doe trouwens nog maar zo’n glas.

We vertrekken de volgende ochtend vroeg naar de canyon, waarvan de toegangsweg een zandweg blijkt te zijn. Hier voel je duidelijk verschil als de four wheel drive-functie van de auto wordt aangezet. We besluiten het pad van ongeveer een kilometer naar de bodem van de canyon te lopen, wat dus betekent dat de terugweg ook weer een kilometer is. Het blijkt een geweldige wandeling te zijn die ik niet had willen missen. Beneden lag zowaar ook nog een cache, maar die heb ik helaas niet gevonden. Achteraf denk ik wel dat ik weet waar hij lag, maar de afwijking van de GPS was erg groot.

Weer terug bij de auto rijden we naar de Z-bend canyon, waar de rivier een bocht in, je raadt het vast al, de vorm van een Z maakt. Hier lopen we niet meer helemaal naar beneden want het is inmiddels al veel te warm geworden. Wel lopen we tot het uitzichtpunt ‘Nature Window’, waar de rotsen een perfect raam richting de Z-bocht maken. Ook hier ligt een cache die ik gelukkig wel wist te vinden.

 

Het groene monster is niet meer

We rijden helemaal door naar Denham, aan de bovenkant van het […]-schiereiland. Dat is een weg van zo’n 400 kilometer waarvan we ruim 100 kilometer weer terug moeten rijden naar de highway 1 om verder naar het noorden te kunnen gaan. We tanken bij elk tankstation dat we tegenkomen, want de tankstations zijn erg schaars, er kan zo een kilometer of 300 tussen twee pompen liggen. Onderweg op een kaarsrecht stuk komen we een auto tegen die op z’n kop in de berm ligt We zijn maar niet gestopt, want de ambulance en een bergingsvoertuig waren al terplekke. Waarschijnlijk was de chauffeur te vermoeid geraakt. Voor ons reden genoeg om regelmatig te stoppen en te wisselen van chauffeur.

We zijn toch zeker 100 meter Denham ingereden wanneer Wouter roept dat de stuurbekrachtiging het niet meer doet. Sterker nog, de hele auto doet niets meer. Het lukt hem nog net om de Toyota de stoep op te rijden waar hij tot stilstand komt. Gelukkig komen de inwoners van Denham ons al snel te hulp. Een vrouw in een boekingskantoortje waar we naast staan belt voor ons Wicked Campers, het verhuurbedrijf, op. Die regelt dat er een monteur komt die net van het ongeluk vandaan komt. Wanneer hij de auto ziet is zijn eerste reactie \”O now, this car should be shredded\”. Hij had al zoveel problemen met Toyota Highland Surfs meegemaakt dat hij alle hoop in dit type auto had verloren. Na een half uurtje klooien onder de motorkap besluit hij dat de auto, die hij stug The Green Monster noemt, ’s morgens vroeg naar de garage wordt gesleept om hem daar weer aan de praat te probreren te krijgen.

Vrijdagochtend zitten we dus vast in Denham waar we maar het museum bezoeken. Je moet toch iets. Rond een uur of 1 krijgen we te horen dat het groene monster overleden is, maar dat Wicked een stationwagen van de garage heeft gekocht waarmee we verder kunnen rijden tot Exmouth, waar we weer een andere 4wd krijgen. Rond een uur of 3 kunnen we de auto ophalen. We gooien alle bagage er in en rijden eindelijk Denham weer uit. Aan het begin van het schiereiland besluiten we te stoppen. De camping blijkt op de mooiste plek tot nu toe te liggen, direct aan de duinen midden in de natuur.

Het dak op en het water in

Het is weer een lange dag in de auto, maar grote verschil is dat we nu een auto hebben die een knopje ‘AC’ heeft. We noemen het de psychologische airconditioning, want echt kouder wordt het niet als het lampje in het knopje brand. We rijden naar Coral Bay en stoppen onderweg op een aantal uitzichtpunten en bij een road house. Dat zijn plekken in the middle of nowhere met stokoude benzinepompen, een restaurantje en vaak ook nog een camping. We kopen er voedsel voor zowel de auto als voor onszelf.

In Coral Bay willen we met de manta rays gaan snorkele, maar op zondag gaan er geen tochten. Omdat we toch nog door moeten rijden naar Denham besluiten we dat maar meteen te doen. Het is tenslotte maar een klein stukje, voor Australische begrippen tenminste. Hondervijftig kilometer later zijn we in Denham waar we vlees voor op de barbecue kopen en ons installeren op de camping. Hier blijken op zondag wel activiteiten georganiseerd te worden. Een paar minuten later heb ik me ingeschreven voor een scubaduik vanaf de Navy Pier, precies wat Wouter wilde doen. Helaas voor hem was het niet zeker dat hij ook kon duiken, want er waren niet genoeg aanmeldingen. Aangezien ik samen met een instructeur ging duiken ging mijn duik gegarandeerd wel door.

In afwachting op meer duikers is Wouter de auto gaan omruilen. Een kwartiertje later komt hij met een mooie glimmende nieuwe Toyota RAV4 met werkende airconditioning, cruisecontrol en zowaar een daktent de camping oprijden. We hebben zelfs echte stoelen in plaats van de visserskrukjes die we in Perth meekregen. En het beste nieuws is dat we in Alice Springs een gelijke auto gaan krijgen.

Nu alles weer geregeld en goed is kunnen we lekker het zwembad inspringen en relaxen. Net voordat de duikwinkel die naast de camping zit sluit komt er nog meer goed nieuws. Er zijn voldoende deelnemers, dus alles gaat door. Dat vieren we met gigantische heerlijk malse lamshamburgers van de barbecue.

Voor mij is het de derde duik die ik maak, de eerste twee waren een jaar of 10 geleden in The Great Barrier Reef aan de andere kant van Australie. Het begin was even lastig, maar al snel vond ik de rust die je bij het duiken moet hebben en ben ik bijna 50 minuten onder water gebleven. Daar zag ik kleurrijk koraal, heel veel verschillende vissen en zelfs haaien. Misschien moet ik toch maar eens proberen een duikbrevet te halen.

Het binnenland in

Direct na het duiken rijden we terug naar Coral Bay. Deze keer blijven we er langer dan voor een uurtje. Sterker nog, dit is de eerste plek waar we twee nachten blijven, want op maandag gaan we met een boot de oceaan op om mangaroggen (heten die beesten eigenlijk wel zo in het Nederlands?) te snorkelen. Dit zijn de grootste roggen ter wereld, en ze zijn enorm indrukwekkend. De kans was groot dat we een, misschien wel twee roggen zouden zien.

Aangezien de beesten zelfstandig leven is de kans dat er meer bij elkaar zijn erg klein, tenzij er gepaard wordt. Natuurlijk vallen we weer met de neus in de boter, want we zien er zelfs drie bijelkaar. Daarvoor moest wel een sterke stroming en golven overwonnen worden, maar dat was het zeker waard. Daarnaast heb ik nog twee keer bij het rif gesnorkeld waar onder andere schildpadden en haaien te zien waren. Wouter heeft op deze plekken gedoken.

We leven inmiddels met het ritme van de zon, dus elke dag sta ik rond half zeven al buiten mijn tent. Ik weet nu al zeker dat ik dat dagritme thuis niet blijf volgen. Op dinsdagochtend kwam dat goed uit, want we hebben de langste reisdag tot nu toe gemaakt. Na bijna 700 kilometer met alleen stops om te tanken en wat te eten komen we aan in Karjina Natural Park, meer landinwaards. Het klappen we de daktent op de camping bij de Dales Canyon open. Net nadat we de stoelen hebben neergezet om bij te komen van de lange rit komt er een auto met het logo van ‘No Birds’ aanrijden. Het zal toch niet?

Jawel, omze drie vrienden uit Belgie, Duitsland en Zwitserland komen uit de auto stappen. Toch grappig hoe je steeds dezelfde mensen ontmoet. Op de boot in Coral Bay waren we ook al bekenden tegengekomen, deze keer mensen die we in Denham hadden ont moet. We hebben weer even bijgekletst over de plekken waar we geweest zijn en over het overlijden van het groene monser. Daarna gaat Wouter voor een keertje koken. Meestal doe ik dat, want zoals hij zelf zegt: ‘Als ik kook eer niemand het op, zelfs ikzelf niet.’ Vanavond staan echter pannenkoeken op het menu en daar kan weinig aan mislukken. De overmaatse poffertjes smaakten prima.

De reden om naar het park te rijden was om de Dales Canyon in te gaan voor een wandeling. Dat doen we de volgende morgen dan ook. Bij het visitors centre werd aangeraden uiterlijk rond 9 uur te beginnen vanwege de warmte. Dat leek ons al erg laat, dus rond 7 uur liepen we de kloof in. Ik ben erg blij dat we niet later begonnen waren, want het werd al snel warm. De kloof zelf was in een woord adembenemend. Lopend, glibberend en klauterend baanden we ons een weg langs de rivier die twee keer overgestoken moest worden. Meteen bij de eerste oversteek gleed ik uit. Het voordeel daarvan was wel dat ik niet meer op hoefde te passen voor natte voeten, die had ik al. Terug bij de auto ben ik nog een keer een stukje naar beneden geklauterd om een cache te loggen.

We bleven maar een nacht in het park om niet te hoeven haasten om op tijd Broome te halen voor de vlucht naar Darwin en Alice Springs. Als we het past uitrijden lijkt dat inderdaad een goed idee want de auto heeft het duidelijk wat moeilijk met de ruim 40 graden die het buiten is. Tot twee keer toe verliezen we trekkracht. Door de auto een poosje stil te zetten kunnen we wel weer verder. Zolang dezr auto ons tot Broome weet te brengen zijn we tevreden. We stoppen in Port Hedland waar de camping vol blijkt te staan met bouwvallige caravans. Voor ons is er op deze treurige plek geen ruimte meer. We willen de auto wel wat rust geven en dus niet nog 100 kilometer doorrijden tot de volgende camping. Gelukkig is er ruimte zat in een mooi motel met heerlijk zwembad en een bar met ijskoude pints.

naar beneden

Naar beneden

Natuurlijk zijn we niet voor niets naar Ayers Rock gereden, die willen we gaan bezoeken. Tenminste, willen we dat wel? In hetzelfde nationale park ligt namelijk ook Kata Tjutal waar een trail van ruim 7 kilometer loopt die veel leuker lijkt. De wekker is gezet, want eerst willen we de zonsopkomst bij Uluru zien. Om half vijf word ik met de klanken van de Morgenstimmung wakker. Buiten is het helemaal bewolkt. Okee, dan geen zonsopkomst. Twee uur later zitten we in de auto naar het beginpunt van de wandeling. Het wordt al snel warmer, dus gelukkig zijn we lekker op tijd. De wandeling zelf is enorm mooi. Na iets minder dan 3 uur (ruim een uur minder dan aangegeven ondanks vele fotostops) zijn we terug bij de auto. Inmiddels is het al ruim 40 graden. Ulur zelf bekijken we vanaf enkele uitzichtspunten, het is veel te heet om daar nog te gaan lopen. Wel kijken we nog even in het visitors centre rond.

Na een lunchstop in het dorp gaan we weer op weg, dit keer naar het zuiden. We eindigen bij een roadhouse met camping, waar we Ingrid ontmoeten, een Australische met Nederlandse ouders die lerares in Aboriginaldorpen is geweest. Onder het genot van een heerlijke whiskey hebben we een gezellige avond, ook dankzij het zwembad dat lekker gekoeld is. Wanneer het buiten 45 graden is, is dat zeker niet verkeerd.

De volgende stop is Coober Pedy, wat Aboriginal is voor ‘witte man graaft gat’. Het dorp is dan ook de wereldhoofdstad van de opaalmijnbouw. Natuurlijk willen we daar meer van weten, dus nemen we een rondleiding door een van de mijnen. We zijn op dat moment de enige bezoekers dus hebben we een privegids. Het was erg interessant en vooral ook heerlijk koel, want in de mijnen was het maar een graad of 28, ’s Nachts koelt het ook niet af, en aangezien we toch in een mijnplaatsje zijn besluiten we een ondergrondse kamer te regelen voor de nacht. In het lokale hostel kan je op 8 meter onder de grond in een oude mijn slapen. Het is een heerlijk koele nacht.

tachtig mijl zand

80 Mijl zand

Het is inmiddels de op een na laatste reisdag in het westen van Australie, en de bezienswaardigheden raken wat op. Dat wisten we van te voren, maar we moeten nu eenmaal naar Broome om daar de auto in te leveren. Toch lukt het Wouter om er weer een onvergetelijke dag van te maken. Wanneer we een afslag naar een cattle station zien nemen we die voor een kop koffie en om de rit een beetje te breken. Daar aangekomen wordt ons gevraagd of we ook een stuk op het strand, het 80 mile beach, willen rijden. Tja, nu we er toch zijn.

We krijgen een pasje voor de slagboom om via hun terrein naar het strand te rijden via een leuk offroad pad van een kilometer of 3. Bij het strand aangekomen maakt Wouter een ruime bocht, die iets te ruim bleek te zijn. De wielen groeven zich direct in het natte zand van het geheel verlaten strand in en de auto ging geen kant meer op. Dat in combinatie met een verrotte koppeling waardoor je alleen vol gas kan optrekken en een onbewolkte lucht waardoor het ruim 40 graden was maakte het een gedenkwaardig moment. We zijn in de auto gaan zoeken naar iets waarmee we de auto weer konden uitgraven. Gelukkig hadden we daar de juiste zaken voor bij ons, namelijk een stoffer en blik en wat kommetjes. Een kwartiertje graven was nog niet voldoende. Toen kwam ik op het idee om wat lucht uit de banden te laten lopen. Dat, samen met nog meer graven, was gelukkig de manier om los te komen. Geheel bezweet en onder het zand reed ik weer weg van het strand. Terug bij het cattle station wilden we de banden weer op de juiste druk brengen, maar dat bleek niet nodig. Er zat nog steeds ruim genoeg lucht in. Ze waren op het strand dus veel te hard. Geen wonder dat we vast kwamen te zitten. Het enige dat dit avontuur niet heeft overleefd is de airconditioning. Die blies vanaf het strand alleen nog maar warme lucht.

’s Middags zijn we een kilometer of 100 verder gestopt bij een camping direct aan zee, met alleen duinen tussen de tent en het strand in. Dit was weer een ongeplande, maar fantastische locatie. ’s Avonds kwamen daar namelijk waterschildpadden aan land om eieren te leggen. Dat is lastig te zien omdat het dan donker is, maar een van de schilpadden besloot dat ’s middags ook een prima tijd is om dat te doen. We stonden eersterangs om dit schouwspel te mogen zien. Uiteindelijk zijn we de volgende dag doorgereden naar Broome waar we ook weer een fantastisch mooie plek direct aan zee met uitzicht over de baai. In Broome restte ons uiteindelijk alleen nog het inleveren van de auto, waarna we via Darwin naar Alice Springs vlogen.

Rode rotsen

Rode rotsen

We hadden twee nachten in de jeugdherberg van Alice Springs geboekt, maar dat hebben we terplekke aangepast in maar 1 nacht. De plaats stelt niet zoveel voor en we willen meer tijd in de nationale parken doorbrengen. Op maandagochtend konden we een nieuwe auto ophalen, maar het kantoor van Wicked was om 9 uur nog gesloten. Na wat telefoontjes leek iemand zich verslapen te hebben en konden we tegen tienen toch een auto ophalen. Deze keer leek de auto prima te zijn, een Honda CRV 4wd met een tent op het dak. Alles werkt en doet het, de cruisecontrol is aanwezig en de airconditioning kan het bijna laten vriezen in de auto. Tafel en stoelen waren aanwezig en de keuken was compleet. Er moest bijna wel een addertje onder het gras te zitten. Het enige dat we misten waren dinosaurusen, want waarom zou je anders in een Jurassic Park-auto rijden? Aanspraak gaan we met deze auto gegarandeerd weer krijgen.

Tijdens de eerste rit bleek de auto prima te rijden. We wilden stoppen in een Aboriginaldorpje, maar Wouter voelde zich daar totaal niet op zijn gemak. Uiteindelijk bleek dat goed uit te pakken want we zijn een stuk teruggereden via een andere weg via een enorm mooie route op een camping in Glen Helen uitgekomen waar die vanaf de tent zo een canyon met zwemwater konden inlopen. De volgende dag hebben we de weg vervolgd, waarbij we bij bijna elk uitzichtpunt zijn gestopt, zoals bij … Bluff, een meteoorkrater waar we een mooie wandeling konden maken.

Daarna was het tijd om de armspieren te trainen, want richting Uluru (Ayers Rock) kwam eerst nog de Merely Loop, een onverharde weg van 155 kilometer over Aboriginalland. Hiervoor hadden we in Alice Springs al een permit gekocht van wel 5 dollar. Het was een geweldig mooie weg met fantastische uitzichten. Aan het eind was het tijd om te lunchen, wat we bij Kings Canyon hebben gedaan. In de woestijn loopt nu waarschijnlijk een kameel minder rond, want die zat als hamburger tussen mijn broodje. Na het bultige maal hebben we in een kwartiertje een wandeling van 45 minuten naar een uitzichtpunt in de canyon gemaakt. Het uitzichtpunt zelf was niet erg interessant, maar de route zelf was erg mooi. Ik moest de rest van de dag rijden want Wouter voelde zijn armen niet meer na het onverharde stuk.

’s Avond zijn we gestopt in het toeristenplaatje dat gebouwd is voor Ayers Rock national park, waar we overnachten op een veel te dure camping met veel te kleine plaatsen. Dat krijg je als er geen concurrentie is.